Veiligheidsrichtlijnen voor het rijden met brandweerwagens
1. Basiskennis verkeersveiligheid
Houd u aan de verkeerslichten, rij niet door rood en rijd niet te hard.
Houd een veilige afstand aan om ongelukken met bumperkleven te voorkomen.
Houd u aan de verkeersborden en rijd in overeenstemming met de rijstroken.
2. Veiligheidsvoorbereiding en -inspectie vóór vertrek van de brandweerwagen
Controleer het uiterlijk van het voertuig om er zeker van te zijn dat er geen schade is.
Controleer de bandenspanning om er zeker van te zijn dat deze normaal is.
Controleer of de lichten van de brandweerwagen, de claxon, de brandpomp en de uitrusting van de brandweerwagen normaal zijn.
Controleer of het brandstof-, olie-, water- en schuimniveau normaal is.
Controleer regelmatig de voertuigcircuits om elektrische storingen te voorkomen
3. Strenge snelheidscontrole
Bij afwezigheid van noodsituaties mag de snelheid op snelwegen niet hoger zijn dan 80 km/uur, de snelheid van het verkeer op snelwegen niet hoger dan 60 km/uur, en de snelheid op wegen in stedelijke gebieden niet hoger dan 50 km/uur.
4. Hoe rijden brandweerwagens bij regen, sneeuw en vriesweer?
Vertraag en houd een veilige afstand.
Vermijd krachtig remmen om zijdelings wegglijden te voorkomen.
Gebruik antislipkettingen om de wrijving te vergroten.
In geval van nood laat u tijdig de sirene van de brandweerwagen klinken.
Zorg ervoor dat het water in de tankwagen niet bevroren is
5. Wat te doen als de rem plotseling uitvalt
Blijf kalm en raak niet in paniek.
Verlaag geleidelijk de versnelling en gebruik de motorrem
Trek zachtjes aan de handrem en vertraag geleidelijk.
Kies een veilige plek om te stoppen en plaats waarschuwingsborden.